Question 1
Bouw de zin met proberen: _____
Options: Ik probeer de vraag te beantwoorden., probeert, beantwoordt, wil
Tik de woorden in de juiste volgorde en laat woorden die niet in de zin horen weg.
Question 1
Bouw de zin met proberen: _____
Options: Ik probeer de vraag te beantwoorden., probeert, beantwoordt, wil
Question 2
Bouw de zin met vergeten: _____
Options: vergeten, Sam vergeet melk te kopen., koopt
Question 3
Bouw de zin met beginnen en een tijd: _____
Options: beginnen, huilt, De baby begint elke nacht te huilen.
Question 4
Bouw de zin met besluiten: _____
Options: Wij besluiten de hond te wassen., besluit, wast
Question 5
Bouw de zin met beloven en het scheidbare opruimen: _____
Options: beloven, Noor belooft haar kamer op te ruimen., opruimen
Question 6
Bouw de zin met hopen: _____
Options: hopen, ziet, Ik hoop je morgen te zien.
Question 7
Bouw de ontkennende zin met hoeven en het scheidbare opstaan: _____
Options: Je hoeft niet op te staan., moet, staat
Question 8
Bouw de ja-neevraag met proberen: _____
Options: proberen, Probeer je minder koffie te drinken?, drinkt, Probeert
Question 9
Bouw de zin met het scheidbare opbellen: _____
Options: probeert, opbellen, Ik probeer haar op te bellen.
Question 10
Bouw de zin met willen, dus zonder te: _____
Options: wil, Wij willen Nederlands leren., te
Practice Bouw zinnen met te-infinitieven with this interactive sentence-building exercise of 10 questions. Tap the words into the correct order to build each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every sentence.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Bouw zinnen met te-infinitieven in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.