Fill in the blank

Stam, t of dt?

Kies de juiste werkwoordsvorm in de tegenwoordige tijd. Let op de stam, het onderwerp en de uitgang.

0 / 15 blanks filled0%

Question 1

In deze dikke jas _____ ik snel warm. (worden)

Options: word, wordt, worden

Question 2

Ik _____ de route op deze kaart duidelijk. (vinden)

Options: vindt, vind, vinden

Question 3

Ik _____ vandaag op alle berichten. (antwoorden)

Options: antwoordt, antwoorden, antwoord

Question 4

Ik _____ de deur voor mijn buurvrouw open. (houden)

Options: houd, houdt, houden

Question 5

Jij _____ volgend jaar achttien. (worden)

Options: word, wordt, worden

Question 6

U _____ de afspraak in uw agenda. (vinden)

Options: vind, vinden, vindt

Question 7

Mijn broer _____ meestal dezelfde dag op een e-mail. (antwoorden)

Options: antwoordt, antwoord, antwoorden

Question 8

Nora _____ de zware deur voor het kind open. (houden)

Options: houd, houdt, houden

Question 9

Mijn opa _____ graag bij het raam. (zitten)

Options: zitt, zitten, zit

Question 10

U _____ rustig met de nieuwe medewerker. (praten)

Options: praat, praatt, praten

Question 11

De reiziger _____ op de trein naar Zwolle. (wachten)

Options: wachtt, wacht, wachten

Question 12

Jij _____ iedere vrijdag in het buurthuis. (werken)

Options: werk, werken, werkt

Question 13

Het kind _____ elke ochtend een nieuw woord. (leren)

Options: leert, leer, leren

Question 14

Mijn collega en ik _____ volgend jaar allebei veertig. (worden)

Options: wordt, worden, word

Question 15

De studenten _____ deze uitleg heel duidelijk. (vinden)

Options: vindt, vind, vinden

Practice Stam, t of dt? with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.

Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Stam, t of dt? in everyday Dutch.

Looking for more practice? See all exercises for this lesson.