Question 1
In deze dikke jas _____ ik snel warm. (worden)
Options: word, wordt, worden
Kies de juiste werkwoordsvorm in de tegenwoordige tijd. Let op de stam, het onderwerp en de uitgang.
Question 1
In deze dikke jas _____ ik snel warm. (worden)
Options: word, wordt, worden
Question 2
Ik _____ de route op deze kaart duidelijk. (vinden)
Options: vindt, vind, vinden
Question 3
Ik _____ vandaag op alle berichten. (antwoorden)
Options: antwoordt, antwoorden, antwoord
Question 4
Ik _____ de deur voor mijn buurvrouw open. (houden)
Options: houd, houdt, houden
Question 5
Jij _____ volgend jaar achttien. (worden)
Options: word, wordt, worden
Question 6
U _____ de afspraak in uw agenda. (vinden)
Options: vind, vinden, vindt
Question 7
Mijn broer _____ meestal dezelfde dag op een e-mail. (antwoorden)
Options: antwoordt, antwoord, antwoorden
Question 8
Nora _____ de zware deur voor het kind open. (houden)
Options: houd, houdt, houden
Question 9
Mijn opa _____ graag bij het raam. (zitten)
Options: zitt, zitten, zit
Question 10
U _____ rustig met de nieuwe medewerker. (praten)
Options: praat, praatt, praten
Question 11
De reiziger _____ op de trein naar Zwolle. (wachten)
Options: wachtt, wacht, wachten
Question 12
Jij _____ iedere vrijdag in het buurthuis. (werken)
Options: werk, werken, werkt
Question 13
Het kind _____ elke ochtend een nieuw woord. (leren)
Options: leert, leer, leren
Question 14
Mijn collega en ik _____ volgend jaar allebei veertig. (worden)
Options: wordt, worden, word
Question 15
De studenten _____ deze uitleg heel duidelijk. (vinden)
Options: vindt, vind, vinden
Practice Stam, t of dt? with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Stam, t of dt? in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.