Fill in the blank

Personen, dingen en handelingen

Kies het gebruikelijke zelfstandige naamwoord dat bij het basiswoord en de betekenis past.

0 / 15 blanks filled0%

Question 1

Iemand die een museum bezoekt, is een _____.

Options: bezoeker, bezoeking, bezoekaar

Question 2

De _____ helpt een klant bij het kiezen van een jas. (verkopen)

Options: verkoopaar, verkoper, verkoping

Question 3

Na de pauze komt de volgende _____ aan het woord. (spreken)

Options: sprekenaar, spreking, spreker

Question 4

Een trouwe _____ belt elke week naar het radioprogramma. (luisteren)

Options: luisteraar, luisterer, luistering

Question 5

De _____ van de wedstrijd krijgt een beker. (winnen)

Options: winnener, winnaar, winning

Question 6

Voor deze fles heb ik een stevige _____ nodig. (openen)

Options: opening, openaar, opener

Question 7

Met de _____ doe je het licht bij de deur aan. (schakelen)

Options: schakelaar, schakeler, schakeling

Question 8

Na het bestellen ontvang je een bevestiging van de _____. (betalen)

Options: betaler, betaling, betaalte

Question 9

De Nederlandse _____ van het rapport is bijna klaar. (vertalen)

Options: vertaler, vertaalte, vertaling

Question 10

Onze eerste _____ met de nieuwe buren was erg gezellig. (ontmoeten)

Options: ontmoeting, ontmoeter, ontmoette

Question 11

Na de middelbare school volgt Amir een technische _____. (opleiden)

Options: opleider, opleiding, opleidte

Question 12

De commissie neemt morgen een definitieve _____. (beslissen)

Options: beslisser, besliste, beslissing

Question 13

De _____ van de trein is door de sneeuw vertraagd. (aankomen)

Options: aankomst, aankoming, aankomer

Question 14

De administratie verwerkt vandaag alle ontvangen _____. (betalen)

Options: betaling, betalingen, betalinges

Question 15

De conferentie heeft drie bekende _____ uitgenodigd. (spreken)

Options: spreker, sprekeraren, sprekers

Practice Personen, dingen en handelingen with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.

Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Personen, dingen en handelingen in everyday Dutch.

Looking for more practice? See all exercises for this lesson.