Question 1
Jij blijft rechtop op beide voeten bij de deur. Jij _____ te wachten.
Options: staat, sta, zit
Kies de juiste vorm en woordvolgorde.
Question 1
Jij blijft rechtop op beide voeten bij de deur. Jij _____ te wachten.
Options: staat, sta, zit
Question 2
_____ jij al lang te wachten?
Options: Staat, Sta, Staan
Question 3
Wij blijven rechtop op onze voeten bij het hek. Wij _____ te praten.
Options: staat, zitten, staan
Question 4
Ik _____ de krant te lezen.
Options: zit, zitten, zaten
Question 5
De kinderen _____ boven te slapen.
Options: ligt, liggen, lag
Question 6
U _____ door het huis te zoeken.
Options: ligt, lopen, loopt
Question 7
Gisteren _____ ik in de wachtkamer te lezen.
Options: zat, zit, zaten
Question 8
Amir _____ bij de deur te wachten toen ik kwam.
Options: staat, stond, stonden
Question 9
Gisteravond _____ Noor op de bank te lezen.
Options: ligt, lagen, lag
Question 10
Tijdens de pauze _____ ik buiten te bellen.
Options: liep, loopt, liepen
Question 11
De kinderen _____ te slapen toen de bel ging.
Options: lag, lagen, liggen
Question 12
Ik heb een uur _____.
Options: gezeten te wachten, zat gewacht, zitten wachten
Question 13
Wij hebben buiten _____.
Options: staan praten, gestaan te praten, stonden gepraat
Question 14
Ik stoor Noor niet, omdat zij _____.
Options: zit een boek te lezen, een boek zit te lezen, een boek te zit lezen
Question 15
Welke zin combineert een logische houding en activiteit? _____
Options: Noor zit naar haar werk te fietsen., Noor ligt door de winkel te lopen., Noor zit achter haar bureau te lezen.
Practice Vormen, vragen en verleden tijd with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Vormen, vragen en verleden tijd in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.