Basisvoorzetsels van plaats en tijd
Leer Nederlandse basisvoorzetsels voor plaats en tijd gebruiken, zoals in, op, onder, naast, om en na, met heldere regels en dagelijkse voorbeelden.
Een voorzetsel is een klein woord dat een verband aangeeft. Met een voorzetsel van plaats zeg je waar iets is. Met een voorzetsel van tijd zeg je wanneer iets gebeurt.
Na deze les kun je:
- veelvoorkomende voorzetsels van plaats gebruiken;
- om, op en in bij een tijd kiezen;
- enkele vaste combinaties met een plaats of een tijd herkennen.
In, op en onder
Gebruik in als iets binnen een ruimte is. Gebruik op als iets op een oppervlak ligt of staat. Gebruik onder als iets lager is dan iets anders.
| Voorzetsel | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| in | binnenin | De sleutel zit in de tas. |
| op | op een oppervlak | Het boek ligt op de tafel. |
| onder | lager dan | De kat slaapt onder de stoel. |
Het brood ligt in de kast.
De telefoon ligt op het bureau.
De schoenen staan onder het bed.
Vraag jezelf af: is het binnenin, op een oppervlak of lager? Kies daarna in, op of onder.
Naast, tussen, voor en achter
Deze voorzetsels vergelijken de plaats van twee mensen of dingen.
| Voorzetsel | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| naast | direct aan de zijkant | De lamp staat naast de bank. |
| tussen | in het midden van twee of meer dingen | De tafel staat tussen de stoelen. |
| voor | aan de voorkant | De fiets staat voor het huis. |
| achter | aan de achterkant | De tuin ligt achter het huis. |
| tegenover | aan de andere kant | De winkel is tegenover het station. |
Bij tussen noem je vaak twee grenzen of twee dingen: tussen de bank en de tafel. Je kunt ook een meervoud gebruiken: tussen de stoelen.
Bij, aan en naar
Gebruik bij voor dichtbij of op de plek van een persoon of een voorziening. Gebruik aan voor contact met een zijkant of een rand. Gebruik naar voor een richting of een bestemming.
- Ik wacht bij de ingang.
- Sara is bij de dokter.
- De foto hangt aan de muur.
- Wij gaan naar het station.
Vergelijk de plaats en de beweging:
| Geen beweging | Wel beweging |
|---|---|
| Ik ben in de winkel. | Ik ga naar de winkel. |
| Wij zijn op school. | Wij gaan naar school. |
| Hij is thuis. | Hij gaat naar huis. |
Bij thuis gebruik je geen voorzetsel, en na naar zeg je huis.
✓ Ik ben thuis. / Ik ga naar huis.
✗ Ik ben in thuis. / Ik ga naar thuis.
Om, op en in bij een tijd
Bij een tijd kies je het voorzetsel op basis van het soort tijdsaanduiding.
| Voorzetsel | Gebruik | Voorbeeld |
|---|---|---|
| om | een precies tijdstip | De les begint om negen uur. |
| op | een dag of een datum | Ik werk op maandag. |
| op | een specifieke datum | De cursus begint op 5 mei. |
| in | een maand | We reizen in augustus. |
| in | een jaar | Zij is geboren in 2001. |
| in | een seizoen | Het is koud in de winter. |
De afspraak is op woensdag om tien uur.
Mijn verjaardag is in november.
Wij gaan in de zomer naar zee.
Quick check
Try one question now.
Check your answer when you are ready. No sign-in needed.
Voor, na en van tot
Gebruik voor als iets eerder gebeurt en na als iets later gebeurt. Met van ... tot ... geef je het begin en het einde van een periode.
| Voorzetsel | Voorbeeld |
|---|---|
| voor | Ik drink koffie voor de les. |
| na | We eten na het werk. |
| van ... tot ... | De winkel is open van negen tot zes. |
Zet de onderdelen in de juiste volgorde:
- voor de les — de koffie komt eerst;
- de les — de les gebeurt daarna;
- na de les — een andere activiteit komt later.
Tijd zonder voorzetsel
Sommige veelgebruikte tijdswoorden hebben geen voorzetsel nodig.
- Ik werk vandaag.
- Zij komt morgen.
- We waren gisteren thuis.
- De winkel is elke dag open.
Zeg dus niet op morgen of in gisteren.
Kort samengevat
- Gebruik onder meer in, op, onder, naast, tussen, voor en achter voor een plaats.
- Gebruik naar voor een richting of een bestemming.
- Gebruik om voor een precies tijdstip, op voor een dag of een datum en in voor een maand, een jaar of een seizoen.
- Gebruik voor, na en van ... tot ... om tijden te vergelijken of een periode af te bakenen.
- Gebruik geen voorzetsel voor vandaag, morgen en gisteren.
You reached the end
You reached the endNow make it stick.
Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.
Was this lesson helpful?
Vocabulary in this lesson
18 words, ready to study.
Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.
Save any of these 18 words and review them later.
Voorzetsels voor plaats en tijd
18 wordsLast updated October 11, 2026