Betrekkelijke bijwoorden met waar
Leer met waarin, waarop, waarmee en waarom informatie toevoegen over dingen, plaatsen, tijden en redenen in correcte Nederlandse betrekkelijke bijzinnen.
Een betrekkelijke bijzin geeft extra informatie over een zelfstandig naamwoord. Als er een voorzetsel bij een ding, plaats, tijd of idee hoort, gebruikt het Nederlands vaak waar + voorzetsel: de stoel waarop ik zit.
Na deze les kun je:
- een betrekkelijk bijwoord vormen met waar;
- het voorzetsel kiezen dat bij de betekenis of het werkwoord hoort;
- personen onderscheiden van dingen;
- betrekkelijke bijzinnen met een natuurlijke werkwoordpositie bouwen.
Van een voorzetselgroep naar een waarwoord
Begin met twee zinnen.
Ik zit op deze stoel. De stoel is nieuw.
Het voorzetsel op hoort bij de relatie zitten op. In de betrekkelijke zin wordt op deze stoel vervangen door waarop:
De stoel waarop ik zit, is nieuw.
| Losse combinatie | Betrekkelijk bijwoord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| in het huis | waarin | het huis waarin wij wonen |
| op de dag | waarop | de dag waarop de cursus begint |
| met het gereedschap | waarmee | het gereedschap waarmee hij werkt |
| over het voorstel | waarover | het voorstel waarover we stemmen |
| van de regeling | waarvan | de regeling waarvan zij gebruikmaakt |
De volgorde keert om: in + dat wordt waar + in.
Het voorzetsel komt uit de betekenis
Kies niet eerst een willekeurig waarwoord. Zoek de combinatie in de onderliggende zin.
- wonen in een wijk → de wijk waarin ik woon;
- wachten op een besluit → het besluit waarop we wachten;
- praten over een probleem → het probleem waarover zij praten;
- werken aan een plan → het plan waaraan het team werkt;
- rekening houden met een risico → het risico waarmee we rekening houden.
Maak eerst een gewone zin met het volledige zelfstandig naamwoord. Het voorzetsel in die zin bepaalt meestal het tweede deel van het waarwoord.
Plaats en tijd
Bij een echte plaats kan waar alleen staan.
- Dit is de stad waar ik studeer.
- We zoeken een plek waar kinderen veilig kunnen spelen.
Een combinatie met voorzetsel is preciezer wanneer de ruimtelijke relatie telt.
- het gebouw waarin de bibliotheek zit;
- het plein waarop de markt wordt gehouden;
- de brug waaronder de boten varen;
- de straat waarlangs de optocht trekt.
Bij tijd gebruikt het Nederlands vaak waarop of waarin: de dag waarop we verhuisden, de periode waarin zij in België woonde.
Reden, manier en gevolg
Enkele combinaties hebben een bredere betekenis.
- de reden waarom de trein uitviel;
- de manier waarop de medewerker reageerde;
- het middel waarmee we de fout vonden;
- de oorzaak waardoor de storing ontstond.
Waarom na de reden is ingeburgerd, ook al zit het idee van een reden al in beide woorden. Je kunt ook schrijven: de reden dat de trein uitviel. Bij een gevolg verwijst waardoor vaak naar een hele voorafgaande situatie: Er ontstond kortsluiting, waardoor het systeem uitviel.
Een waarwoord kan dus een zelfstandig naamwoord nader bepalen of naar een hele zin terugwijzen. Kijk naar het woord of de gedachte waarop het betrekking heeft.
Quick check
Try one question now.
Check your answer when you are ready. No sign-in needed.
Bij personen: voorzetsel + wie
Voor een concrete persoon gebruik je meestal voorzetsel + wie, niet een waarwoord.
- de collega met wie ik samenwerk;
- de arts op wie we wachten;
- de buurvrouw aan wie ik de sleutel geef;
- de kandidaat over wie de commissie spreekt.
Vergelijk:
| Persoon | Ding of onderwerp |
|---|---|
| de collega met wie ik werk | het systeem waarmee ik werk |
| de arts op wie ik wacht | het antwoord waarop ik wacht |
Bij een organisatie kan het perspectief de keuze sturen. De stichting waarvoor ik werk behandelt de organisatie als zaak; de mensen met wie ik werk noemt personen.
Werkwoord achteraan
Een betrekkelijke zin is een bijzin. De persoonsvorm of werkwoordgroep staat achteraan.
- het formulier waarop uw naam staat;
- de cursus waaraan ik vorig jaar heb deelgenomen;
- het onderwerp waarover we morgen zullen beslissen;
- de reden waarom de afspraak is verplaatst.
Het waarwoord staat aan het begin van de betrekkelijke bijzin. Zet daarna onderwerp en middenstuk vóór de werkwoordgroep.
Gebruik geen hoofdzinvolgorde na het waarwoord: niet het plan waarover we beslissen morgen, maar het plan waarover we morgen beslissen.
Aaneen of gesplitst
Als waar en het voorzetsel naast elkaar staan, schrijf je ze aaneen: waarop, waarmee, waarover. In spreektaal en veel neutrale zinnen kan het voorzetsel verderop staan.
- de afspraak waarop ik wacht;
- de afspraak waar ik al weken op wacht;
- het voorstel waarover we praten;
- het voorstel waar we morgen over praten.
Beide patronen kunnen standaardtaal zijn. De aaneengeschreven vorm is compact en vaak handig in formele teksten; de gesplitste vorm klinkt dikwijls natuurlijk in gesprekken. Wees vooral consequent binnen een zin: schrijf niet waar op wanneer de delen direct naast elkaar staan.
Gewone zin: We hebben lang aan dit project gewerkt.
Compact: Dit is het project waaraan we lang hebben gewerkt.
Gesplitst: Dit is het project waar we lang aan hebben gewerkt.
Controleer de verwijzing
- Welk zelfstandig naamwoord krijgt extra informatie?
- Welke gewone combinatie met voorzetsel ligt eronder?
- Is de verwijzing een persoon? Kies dan meestal voorzetsel + wie.
- Is het een ding, plaats, tijd of idee? Vorm waar + voorzetsel.
- Zet de werkwoordgroep achteraan.
- Staan waar en het voorzetsel naast elkaar? Schrijf ze aaneen.
Zo blijft de relatie precies: niet alleen het plan dat we bespreken, maar ook het plan waarover we morgen beslissen.
You reached the end
You reached the endNow make it stick.
Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.
Was this lesson helpful?
Vocabulary in this lesson
20 words, ready to study.
Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.
Save any of these 20 words and review them later.
Waarwoorden met verschillende voorzetsels
20 wordsLast updated October 11, 2026