Voorzetsel plus wie en waar plus voorzetsel
Kies bij personen voor voorzetsel plus wie en bij zaken voor waar plus voorzetsel, en gebruik beide vormen natuurlijk in betrekkelijke bijzinnen.
Een relatie met een voorzetsel
Sommige werkwoorden en uitdrukkingen horen bij een vast voorzetsel: praten met, wachten op en trots zijn op. Als zo'n combinatie in een betrekkelijke bijzin staat, gebruik je bij een persoon meestal voorzetsel + wie en bij een zaak waar + voorzetsel.
Dit is de collega. Ik werk met de collega.
Dit is de collega met wie ik werk.
Dit is het project. Ik werk aan het project.
Dit is het project waaraan ik werk.
De woordgroep na het zelfstandig naamwoord vertelt in beide gevallen over dat zelfstandig naamwoord.
Personen: voorzetsel plus wie
Verwijst het antecedent naar een persoon en vraagt de bijzin om een voorzetsel? Zet het voorzetsel vóór wie.
| Combinatie | Betrekkelijke bijzin | Volledige zin |
|---|---|---|
| samenwerken met | met wie ik samenwerk | De collega met wie ik samenwerk, woont in Utrecht. |
| rekenen op | op wie je kunt rekenen | Zij is een vriendin op wie je kunt rekenen. |
| praten over | over wie we praten | De kandidaat over wie we praten, heeft veel ervaring. |
| een vraag stellen aan | aan wie ik een vraag stelde | De arts aan wie ik een vraag stelde, gaf helder antwoord. |
| een huis kopen van | van wie zij het huis kochten | De mensen van wie zij het huis kochten, zijn verhuisd. |
Zonder voorzetsel gebruik je na een genoemd persoon meestal die, niet wie: de buurman die mij hielp. Vergelijk dat met de buurman aan wie ik hulp vroeg.
Maak eerst een korte zin met de persoon: Ik praat met de docent. Het voorzetsel in die zin bepaalt de vorm: de docent met wie ik praat.
Zaken: waar plus voorzetsel
Bij een zaak, onderwerp of begrip vervang je de combinatie van voorzetsel en zelfstandig naamwoord meestal door waar + voorzetsel. Als beide delen naast elkaar staan, schrijf je ze als één woord.
| Combinatie | Vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| werken aan | waaraan | het voorstel waaraan we werken |
| wachten op | waarop | de uitslag waarop iedereen wacht |
| praten over | waarover | het probleem waarover ze praten |
| schrijven met | waarmee | de pen waarmee ik schrijf |
| kiezen voor | waarvoor | de oplossing waarvoor we kiezen |
| dromen van | waarvan | de reis waarvan hij droomt |
Bij met verandert de vorm in mee: waarmee, niet waarmet. Een vergelijkbare vaste vorm is waartoe bij tot.
Aaneen of gescheiden
Een combinatie als waarover of waarop kan bij elkaar vooraan in de bijzin staan. In gewone spreektaal worden waar en het voorzetsel ook vaak gescheiden.
Bij elkaar: Dat is het onderwerp waarover we morgen praten.
Gescheiden: Dat is het onderwerp waar we morgen over praten.
Bij elkaar: Eindelijk kwam het bericht waarop ik had gewacht.
Gescheiden: Eindelijk kwam het bericht waar ik op had gewacht.
Staan waar en het voorzetsel direct naast elkaar, dan schrijf je één woord: waarover. Staan er andere woorden tussen, dan blijven ze vanzelf gescheiden: waar we morgen over praten.
De aaneengeschreven vorm klinkt vaak compacter en past goed in geschreven taal. De gescheiden vorm is eveneens correct en klinkt vaak natuurlijk in een gesprek.
Quick check
Try one question now.
Check your answer when you are ready. No sign-in needed.
Het verschil tussen personen en zaken
Voor neutraal, verzorgd Nederlands kun je deze beslisroute gebruiken:
- bepaal naar welk woord de bijzin verwijst;
- zoek het voorzetsel dat bij het werkwoord of de uitdrukking hoort;
- kies bij een persoon voorzetsel + wie;
- kies bij een zaak waar + voorzetsel;
- zet het werkwoordcluster aan het einde van de bijzin.
| Antecedent | Neutrale keuze | Voorbeeld |
|---|---|---|
| persoon | voorzetsel + wie | de buurvrouw op wie ik pas |
| zaak of begrip | waar + voorzetsel | de hond waarop ik pas |
In informele taal verwijzen mensen soms ook met waar + voorzetsel naar een persoon: een collega waar ik mee werk. Dat is algemeen te begrijpen en komt veel voor. In zakelijke of verzorgde schrijftaal heeft een collega met wie ik werk vaak de voorkeur.
Vragen en betrekkelijke bijzinnen
Dezelfde vormen kunnen ook een directe vraag beginnen. Het verschil zie je aan de plaats in de zin.
- Met wie werk je? — een directe vraag
- de collega met wie je werkt — informatie na een antecedent
- Waarop wacht je? — een directe vraag over een zaak
- het bericht waarop je wacht — informatie na een antecedent
In de directe vraag staat de persoonsvorm vroeg: Waarop wacht je? In de betrekkelijke bijzin staat die later: het bericht waarop je wacht.
Kies het voorzetsel vanuit de oorspronkelijke combinatie. Het is praten over een plan, dus het plan waarover we praten. Gebruik niet zomaar het voorzetsel dat in je moedertaal bij dat werkwoord hoort.
Kort samengevat
- Gebruik bij een persoon meestal voorzetsel + wie: de klant met wie ik spreek.
- Gebruik bij een zaak waar + voorzetsel: het contract waarover ik spreek.
- Schrijf de delen aaneen als ze naast elkaar staan: waarop, waarvan, waarmee.
- Je kunt de delen scheiden: het contract waar we over spreken.
- Waar + voorzetsel voor een persoon is informeel mogelijk; voorzetsel + wie is de neutrale keuze in verzorgde tekst.
- Zet het werkwoord of werkwoordcluster aan het einde van de betrekkelijke bijzin.
You reached the end
You reached the endNow make it stick.
Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.
Was this lesson helpful?
Vocabulary in this lesson
18 words, ready to study.
Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.
Save any of these 18 words and review them later.
Vragen en verwijzen met wie en waar
18 wordsLast updated October 11, 2026