A1 · BeginnerLesson 1 of 3

De en het bij zelfstandige naamwoorden

Leer wanneer een Nederlands zelfstandig naamwoord de of het krijgt, hoe het lidwoord in het meervoud verandert en hoe je nieuwe woorden onthoudt.

By the flumi team About 5 min read 37 vocabulary wordsGrammar learning path: Lidwoorden en verkleinwoorden

Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een persoon, een dier, een ding of een plaats. In het Nederlands staat er vaak een lidwoord voor: de of het.

Leer het lidwoord meteen samen met het woord. Leer dus niet alleen boek, maar het boek.

Na deze les kun je:

  • een de-woord en een het-woord herkennen;
  • het juiste lidwoord gebruiken bij bekende woorden;
  • het lidwoord kiezen bij een meervoud en een verkleinwoord.

De of het in het enkelvoud

In het enkelvoud zijn er twee bepaalde lidwoorden. Sommige zelfstandige naamwoorden krijgen de en andere krijgen het.

Soort woord Lidwoord Voorbeelden
de-woord de de vrouw, de hond, de tafel, de straat
het-woord het het kind, het paard, het boek, het station

Dit verschil helpt ook bij aanwijzen: deze tafel en die tafel, maar dit boek en dat boek.

Je gebruikt de of het als duidelijk is over welke persoon of welk ding je praat.

Het onbepaalde lidwoord een is hetzelfde bij de-woorden en het-woorden: een fiets en een boek.

Ik zie een fiets. De fiets is rood.

Op tafel ligt een boek. Het boek is van Amir.

In de eerste zin is de fiets of het boek nieuw in het gesprek. Daarna weet de luisteraar welk ding je bedoelt. Dan gebruik je de of het.

Welke woorden krijgen de?

De meeste Nederlandse zelfstandige naamwoorden zijn de-woorden. Woorden voor personen zijn ook meestal de-woorden.

  • de man en de vrouw
  • de buurman en de buurvrouw
  • de dokter en de docent
  • de winkel en de school

Dit is een handige richting, maar geen regel voor alle woorden.

Het natuurlijke geslacht bepaalt het lidwoord niet altijd. Je zegt het meisje en het kind, ook als je over een persoon praat.

Woorden die je maakt met de uitgang -ing of -heid krijgen de: wonen → de woning, vrij → de vrijheid. Let op: alleen dezelfde laatste letters zijn niet genoeg. Je zegt bijvoorbeeld het ding.

Welke woorden krijgen het?

Je moet veel het-woorden samen met hun lidwoord leren. Dit zijn enkele veelgebruikte woorden:

  • het huis
  • het raam
  • het eten
  • het werk
  • het jaar

Er zijn ook twee handige aanwijzingen:

  • Woorden op -isme krijgen het, zoals het toerisme en het kapitalisme.
  • Gebruik je een heel werkwoord als zelfstandig naamwoord? Dan krijgt het het: eten → het eten, werken → het werken. Bijvoorbeeld: Het eten duurt een uur. Het werken in de tuin is leuk.

Een heel nuttige regel: elk verkleinwoord krijgt in het enkelvoud het.

Gewoon woord Verkleinwoord
de tafel het tafeltje
de hond het hondje
het boek het boekje

Schrijf nieuwe woorden in twee kolommen: de-woorden en het-woorden. Zeg het lidwoord hardop als je het woord oefent.

Quick check

Try one question now.

1
In de woonkamer staat een tafel. tafel is van hout.

Check your answer when you are ready. No sign-in needed.

In het meervoud gebruik je de

In het meervoud krijgen alle zelfstandige naamwoorden de. Het lidwoord het verdwijnt dan.

Een onbepaald meervoud heeft geen lidwoord: Ik zie boeken. Gebruik de als je bepaalde boeken bedoelt: Ik zie de boeken.

Enkelvoud Meervoud
de tafel de tafels
de hond de honden
het boek de boeken
het kind de kinderen

Het raam is open. → De ramen zijn open.

Het paard staat buiten. → De paarden staan buiten.

Veelgemaakte fouten

Gebruik niet het bij een meervoud.

✓ de boeken

✗ het boeken

Pas ook op met woorden die in een andere taal een ander geslacht hebben. Zo zeg je de auto, maar in het Duits das Auto, en het uur, maar in het Duits die Stunde. Leer het Nederlandse lidwoord altijd samen met het woord.

Kort onthouden

Situatie Lidwoord
enkelvoudig de-woord de
enkelvoudig het-woord het
elk meervoud de
elk verkleinwoord in het enkelvoud het

Kies in deze volgorde:

  1. Kijk of het woord enkelvoud of meervoud is.
  2. Gebruik in het meervoud altijd de.
  3. Kijk in het enkelvoud of je de of het hebt geleerd.
  4. Gebruik bij een verkleinwoord in het enkelvoud altijd het.

Leer daarom steeds een klein pakket: het woord + het lidwoord + het meervoud. Bijvoorbeeld: het huis – de huizen.

You reached the end

You reached the end

Now make it stick.

Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.

Practice exercises

Was this lesson helpful?

Vocabulary in this lesson

37 words, ready to study.

Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.

Save any of these 37 words and review them later.

De- en het-woorden uit het dagelijks leven

37 words

Last updated October 11, 2026