B2 Β· Upper IntermediateLesson 1 of 2

Voornaamwoordelijke bijwoorden voor zaken enΒ personen

Vervang voorzetselgroepen correct door erop, ermee en daarover bij zaken, en door met hem, op wie en andere persoonlijke vormen bij personen.

By the flumi team About 6 min read 35 vocabulary wordsGrammar learning path: Voornaamwoordelijke bijwoorden precies gebruiken

Een voorzetselgroep als op het voorstel wordt bij verwijzing naar een zaak vaak er + voorzetsel: erop. Bij personen gebruik je juist meestal een persoonlijk voornaamwoord: op hem, met haar, aan wie. Dit verschil geldt ook in vragen en betrekkelijke bijzinnen.

Zaken: er + voorzetsel

Vervang voorzetsel + het/dit/dat + zaak door een voornaamwoordelijk bijwoord.

Volledige groep Voornaamwoordelijk bijwoord Voorbeeld
op het antwoord erop Ik wacht erop.
over het plan erover We praten erover.
met dit apparaat ermee Kun je ermee werken?
aan dat probleem eraan Zij denkt eraan.
van de afspraak ervan Hij weet ervan.

Bij een R-woord verandert met in mee en tot in toe: met dit apparaat β†’ ermee, tot dat doel β†’ ertoe, met welke methode β†’ waarmee. Andere veelvoorkomende vormen zijn ervoor, erbij, ertegen en eruit. Het vaste voorzetsel van het werkwoord of de uitdrukking blijft behouden: wachten op β†’ erop wachten, behoefte hebben aan β†’ er behoefte aan hebben.

Niet elk voorzetsel vormt zo'n er-vorm. Bij sinds, tijdens en wegens gebruik je geen productieve combinatie met er-: sinds de verhuizing, tijdens de vergadering, wegens de storm.

Aaneen of gesplitst

Staan de delen naast elkaar, dan schrijf je ze aaneen: erover, ermee, eraan. In een zin kunnen andere woorden ertussen staan.

  • We hebben erover gesproken.
  • We hebben er gisteren lang over gesproken.
  • Ik kan er nog niet goed mee werken.
  • Ze zal er later op terugkomen.

Bij een gesplitste vorm blijft het voorzetseldeel vaak bij het werkwoordelijke einde van de zin. In Ze zal er later op terugkomen hoort op bij terugkomen op en staat het vlak vΓ³Γ³r de werkwoordelijke eindgroep. Het onbeklemtoonde er staat vroeg in het middenveld.

Schrijf niet willekeurig een spatie wanneer de delen direct naast elkaar staan: eraan denken, niet er aan denken.

Personen: voorzetsel + voornaamwoord

Verwijs je naar een persoon, dan gebruik je doorgaans het voorzetsel met een persoonlijk voornaamwoord.

  • Ik wacht op mijn collega. β†’ Ik wacht op haar.
  • Hij werkt met Amir. β†’ Hij werkt met hem.
  • We zorgen voor de kinderen. β†’ We zorgen voor hen.
  • Zij kreeg advies van haar huisarts, dr. Jansen. β†’ Zij kreeg advies van hem.

Bij een voorzetsel gebruik je voor de derde persoon meervoud altijd hen, nooit hun: voor hen, met hen, aan hen.

Ermee verwijst normaal naar een zaak of middel, niet naar een persoon. Ik werk met haar betekent dat zij mijn samenwerkingspartner is; ik werk ermee verwijst bijvoorbeeld naar een programma of gereedschap.

Bij organisaties hangt de keuze af van de voorstelling. Ik werk ermee samen kan naar een organisatie als instantie verwijzen; ik werk met hen samen benadrukt de mensen. Kies een vorm die niet dubbelzinnig is.

Vragen: waar- of wie-vorm

Vraag bij een zaak met waar + voorzetsel en bij een persoon met voorzetsel + wie.

  • Waarop wacht je? β€” Op de uitslag.
  • Waarmee open je dit bestand? β€” Met dat programma.
  • Op wie wacht je? β€” Op mijn begeleider.
  • Met wie werk je samen? β€” Met twee ontwerpers.

De waar-vorm kan ook worden gesplitst: Waar wacht je op? en Waar heb je het over? zijn heel gewoon. Schrijf de delen aaneen als ze direct naast elkaar staan: waarop, waarover.

Quick check

Try one question now.

1
Die nieuwe scanner werkt snel. We maken alle oude brieven digitaal.

Check your answer when you are ready. No sign-in needed.

Betrekkelijke bijzinnen

Ook na een zelfstandig naamwoord verschilt de vorm voor zaken en personen.

  • het project waaraan we werken
  • de regel waarover veel discussie bestaat
  • de collega met wie ik samenwerk
  • de onderzoeker naar wie je verwees

Bij een zaak kan het voorzetsel achteraan staan: het project waar we aan werken. Bij een persoon staat de combinatie voorzetsel + wie in verzorgde standaardtaal meestal bij elkaar.

In informele spreektaal hoor je bij personen ook vaak: de collega waar ik mee samenwerk. In verzorgde schrijftaal kies je beter de collega met wie ik samenwerk.

Er, daar en hier

Met daar + voorzetsel wijs je nadrukkelijk terug of maak je een contrast. Hier + voorzetsel verwijst naar iets dichtbij of naar de huidige tekst.

  • Ik ben het daarmee eens, maar niet met het eerste voorstel.
  • Hierop volgt een korte toelichting.
  • We hebben veel opties; daarover beslissen we morgen.

Neutraal en onbeklemtoond gebruik je meestal er-. Voor contrast of aanwijzing kies je daar- of hier-.

Zaak: Dit is de methode waarmee we werken. We hebben er goede resultaten mee behaald.

Persoon: Dit is de adviseur met wie we werken. We hebben gisteren met hem overlegd.

Een praktische beslisroute

  1. Zoek het voorzetsel dat bij het werkwoord of de uitdrukking hoort.
  2. Bepaal of je naar een zaak of een persoon verwijst.
  3. Kies bij een zaak er-/waar-/daar-/hier- + voorzetsel.
  4. Kies bij een persoon voorzetsel + hem/haar/hen/wie.
  5. Schrijf de delen aaneen als ze direct naast elkaar staan.
  6. Controleer bij splitsing of er vroeg en het voorzetsel natuurlijk bij het werkwoord staat.

Samenvatting

  • Gebruik bij zaken vormen als erop, ermee, erover en eraan.
  • Gebruik bij personen meestal op hem, met haar, voor hen of aan wie.
  • Voor vragen contrasteer je waar + voorzetsel met voorzetsel + wie.
  • In betrekkelijke bijzinnen zeg je het plan waarover maar de persoon met wie.
  • Aaneengeschreven vormen kunnen in de zin worden gesplitst.
  • Kies daar- of hier- voor nadruk en contrast.

You reached the end

You reached the end

Now make it stick.

Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.

Practice exercises

Was this lesson helpful?

Vocabulary in this lesson

35 words, ready to study.

Play a word to hear it, then mark it as known β€” or save it to study later.

Save any of these 35 words and review them later.

Kernwoorden bij Voornaamwoordelijke bijwoorden voor zaken en personen

35 words

Last updated October 11, 2026