Zelfstandig gebruik van deze, die, dit enΒ dat
Leer deze, die, dit en dat zelfstandig gebruiken, verwijs correct naar de-woorden, het-woorden en meervouden en kies een natuurlijke vorm in context.
Met zelfstandig gebruik bedoelen we dat deze, die, dit of dat zonder zelfstandig naamwoord staat. Zo kun je iets aanwijzen of kiezen zonder het woord te herhalen.
Na deze les kun je:
- de juiste vorm kiezen bij een de-woord, een het-woord of een meervoud;
- iets aanwijzen zonder het zelfstandig naamwoord te herhalen;
- kiezen wanneer een persoonlijk voornaamwoord natuurlijker klinkt.
Aanwijzen zonder het zelfstandig naamwoord te herhalen
Deze, die, dit en dat kunnen zelfstandig staan. Ze vervangen dan het lidwoord Γ©n het zelfstandig naamwoord samen, als dat al duidelijk is door de situatie of door een eerdere zin.
Welke fiets wil je? β Deze.
Welk boek bedoel je? β Dat.
Welke schoenen zijn van jou? β Die.
In de antwoorden hoef je de fiets, het boek en de schoenen niet te herhalen. Het aanwijzende voornaamwoord neemt hun plaats in.
De vorm blijft bij het woord passen
Kies de vorm alsof het zelfstandig naamwoord nog in de zin staat. Voor een enkelvoudig de-woord gebruik je deze of die. Voor een enkelvoudig het-woord gebruik je dit of dat. Bij een meervoud gebruik je altijd deze of die.
| Woordsoort | Dichtbij | Verder weg | Voorbeeld zonder herhaling |
|---|---|---|---|
| de-woord, enkelvoud | deze | die | De rode jas? Deze is goedkoper. |
| het-woord, enkelvoud | dit | dat | Het blauwe shirt? Dat is groter. |
| meervoud | deze | die | De zwarte sokken? Die zijn schoon. |
Let ook op het werkwoord. Een vervangen enkelvoud krijgt is; een vervangen meervoud krijgt zijn: Deze is nieuw tegenover Deze zijn nieuw.
Zet het zelfstandig naamwoord in gedachten terug: deze fiets, dat boek, die schoenen. Zo controleer je snel zowel de aanwijzende vorm als enkelvoud of meervoud.
| Niet goed | Goed |
|---|---|
| Welk shirt? β Die. | Welk shirt? β Dat. |
| De sokken? β Deze is schoon. | De sokken? β Deze zijn schoon. |
| De jas? β Dit is duur. | De jas? β Die is duur. |
Dichtbij, verder weg en contrast
In een duidelijke situatie wijzen deze en dit vaak naar iets dichtbij. Die en dat wijzen vaak naar iets dat verder weg is.
- Ik neem deze hier; jij mag die daar nemen.
- Welke tas is van jou? β Deze hier is van mij, die daar is van jou.
- Welke kop wil je? β Die naast de waterkan.
De afstand is niet altijd letterlijk. Je kunt deze of dit ook gebruiken om iets extra onder de aandacht te brengen. Die en dat klinken bij een gewone verwijzing vaak neutraler.
We hebben twee plannen. Dit bespreken we nu; dat bewaren we voor morgen.
Met die van of dat van kun je aangeven van wie iets is. Kies die bij een de-woord of meervoud en dat bij een enkelvoudig het-woord. Na van komt bijvoorbeeld een naam, mij of jou.
- Welke tas is van jou? β Die van mij is rood.
- Welk boek bedoel je? β Dat van Sara.
- Welke schoenen zijn dit? β Die van jou.
Geen extra lidwoord bij de zelfstandige vorm
Een zelfstandig gebruikt aanwijzend voornaamwoord vervangt het lidwoord Γ©n het zelfstandig naamwoord samen, dus zet er geen extra lidwoord bij.
| Niet goed | Goed |
|---|---|
| Ik neem de deze. | Ik neem deze. |
Quick check
Try one question now.
Check your answer when you are ready. No sign-in needed.
Met een voorzetsel
Bij een verwijzing naar een zaak of idee gebruik je vaak daarvan: Wat vind je daarvan? Je kunt de delen ook apart zetten: Daar weet ik niets van. Woorden zoals daarvan heten voornaamwoordelijke bijwoorden. Meer hierover leer je in de aparte les over voornaamwoordelijke bijwoorden.
Dit en dat voor een situatie of idee
Dit en dat kunnen ook verwijzen naar een hele situatie, mededeling of idee. Er is dan geen specifiek de-woord of het-woord dat de vorm bepaalt.
- De trein heeft vertraging. Dat is vervelend.
- We gaan volgende week verhuizen. Dat wist ik nog niet.
- Luister goed: dit is belangrijk.
- Eerst maken we een planning. Dat helpt ons later.
Dit kan een nieuw onderwerp dichtbij halen; dat verwijst vaak terug naar wat net gezegd is. Je kunt ze ook gebruiken om twee ideeΓ«n te vergelijken: Dit vind ik goed, dat niet.
Bij een introductie gebruik je vaak dit of dat met zijn: Dit is Sara, Dat is mijn docent en Dit zijn mijn buren. Daarna kun je met hij, zij, ze of die naar een zojuist genoemde persoon verwijzen. Die is daarbij heel gewoon en neutraal.
β Natuurlijk: Dit is Sara. Zij werkt hier al drie jaar.
β Ook natuurlijk: Ken je Sara? Die werkt hier al drie jaar.
Als je een aanwezige persoon direct aanwijst met deze, kan dat afstandelijk of onbeleefd klinken. Gebruik dan liever de naam: Sara helpt je verder.
Wanneer een persoonlijk voornaamwoord natuurlijker is
Als je niet meer aanwijst of kiest, klinkt een persoonlijk voornaamwoord vaak natuurlijker dan deze. Ook die is heel gewoon als je terugverwijst naar een eerder genoemd de-woord.
β Natuurlijk: Ik heb de fiets gisteren gekocht. Hij rijdt heel goed.
β Ook natuurlijk: Ik heb een nieuwe fiets. Die rijdt heel goed.
Minder natuurlijk zonder contrast: Ik heb de fiets gisteren gekocht. Deze rijdt heel goed.
De versie met deze is mogelijk als je de fiets met een andere fiets vergelijkt of er extra aandacht op wilt vestigen. Zonder die nadruk klinken hij en die natuurlijker. Die verwijst hier neutraal terug naar de fiets; de fiets hoeft dus niet verder weg te staan.
Kort samengevat
- Zelfstandige deze, die, dit en dat vervangen een zelfstandig naamwoord.
- Kies deze/die bij een de-woord en bij een meervoud, en dit/dat bij een enkelvoudig het-woord.
- Deze/dit wijzen vaak dichtbij; die/dat vaak verder weg of neutraler.
- Voeg geen lidwoord toe wanneer de aanwijzende vorm al zelfstandig staat.
- Dit en dat kunnen ook naar een hele situatie of een idee verwijzen.
- Bij een gewone terugverwijzing kun je een persoonlijk voornaamwoord gebruiken; ook die is natuurlijk bij een eerder genoemde persoon of zaak met een de-woord.
You reached the end
You reached the endNow make it stick.
Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.
Was this lesson helpful?
Vocabulary in this lesson
14 words, ready to study.
Play a word to hear it, then mark it as known β or save it to study later.
Save any of these 14 words and review them later.
Zelfstandig aanwijzen en kiezen
14 wordsLast updated October 11, 2026