Question 1
Ik reis alleen en koop precies _____ voor de bus.
Options: één kaartje, één kaartjes, één kaartjen
Kies de natuurlijke vorm voor het aantal, de leeftijd, de prijs of de meting.
Question 1
Ik reis alleen en koop precies _____ voor de bus.
Options: één kaartje, één kaartjes, één kaartjen
Question 2
Wij gaan met z’n drieën zitten. Er staan precies _____ klaar.
Options: drie stoel, drie stoels, drie stoelen
Question 3
Op het prijskaartje staat € 4. Het brood kost _____.
Options: vier euro’s, vier euro, vieren euro
Question 4
Iedereen krijgt een glas. Voor een groep van twaalf zetten we _____ klaar.
Options: twaalf glas, twaalf glazen, twaalf glassen
Question 5
De reis begint om 10.00 uur en eindigt om 12.00 uur. De reis duurt _____.
Options: twee uur, twee uren, twee uurs
Question 6
Op de weegschaal staat 5 kg. De tas weegt _____.
Options: vijf kilo’s, vijf kilon, vijf kilo
Question 7
Je bent 28 jaar oud. Welke zin noemt jouw leeftijd correct? _____
Options: Ik ben achtentwintig jaar., Ik heb achtentwintig jaren., Ik ben twintigacht jaar.
Question 8
Je moeder is 43 jaar oud. Welke zin schrijft haar leeftijd correct? _____
Options: Mijn moeder heeft veertigdrie jaren., Mijn moeder is drieënveertig jaar., Mijn moeder is drieenveertig jaren.
Question 9
Je neef is precies 1 jaar oud. Welke zin gebruikt het enkelvoud correct? _____
Options: Mijn neef heeft één jaar., Mijn neef is één jaren., Mijn neef is één jaar.
Question 10
Op het prijskaartje staat € 2,50. Hoe lees je die prijs volgens de les? _____
Options: vijftig euro twee, twee euro vijftig, twee euro vijf
Question 11
Een kaartje kost € 12,75. Welke vorm leest de prijs correct? _____
Options: twaalf euro vijfenzeventig, twaalf euro zeventigvijf, vijfenzeventig euro twaalf
Question 12
De jas kost precies € 100. Hoe lees je deze prijs? _____
Options: euro honderd, honderden euro, honderd euro
Question 13
Op de fles staat 1,5 liter. Hoe lees je deze meting? _____
Options: één komma vijf liter, één punt vijf liter, vijf komma één liter
Question 14
Een boek kost € 21,40. Welke vorm leest eerst de euro’s en daarna de centen? _____
Options: veertig euro eenentwintig, eenentwintig euro veertig, twintigeen euro vier
Question 15
Je telt de jongens en meisjes in een groep: het zijn er zeven. Welk antwoord past bij de vraag hoeveel het er zijn? _____
Options: Er zijn zeven kinden., Er zijn zeven kind., Er zijn zeven kinderen.
Practice Aantallen, leeftijden en prijzen with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Aantallen, leeftijden en prijzen in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.