Question 1
Noor en Bas wonen in Gouda. _____ wonen dicht bij het centrum. Ik vraag mijn buurvrouw naar Noor en Bas: "Wonen _____ ook dicht bij het station?"
Options: Zij, Wij, Jullie, zij, jullie, wij
Kies het passende onderwerp. Let op wie spreekt, wie luistert, enkelvoud of meervoud en de plaats bij het werkwoord.
Question 1
Noor en Bas wonen in Gouda. _____ wonen dicht bij het centrum. Ik vraag mijn buurvrouw naar Noor en Bas: "Wonen _____ ook dicht bij het station?"
Options: Zij, Wij, Jullie, zij, jullie, wij
Question 2
Ik vraag mijn vriend Thomas informeel naar zijn eigen kamer: "Kan _____ daar goed slapen, Thomas?"
Options: hij, je, u
Question 3
De baliemedewerker spreekt de directeur beleefd aan: "Heeft _____ een afspraak om elf uur?"
Options: je, wij, u
Question 4
De gids zegt beleefd tegen de bezoekers: "Kunt _____ mij allemaal goed verstaan?"
Options: u, zij, ik
Question 5
De docent doet zelf mee en zegt tegen de klas: "Vandaag oefenen _____ samen."
Options: wij, jullie, zij
Question 6
De arts zit in de spreekkamer en zegt rechtstreeks tegen Sam en Vera bij de deur: "_____ mogen nu naar binnen; ik blijf hier zitten."
Options: Wij, Jullie, Zij
Question 7
Yara werkt in de bibliotheek. Op maandag begint _____ om negen uur.
Options: zij, hij, het
Question 8
Na de les nemen Ilias, Roos en Kenji de bus naar huis. Onderweg praten _____ over hun weekend.
Options: wij, jullie, zij
Question 9
Het pakket staat bij de voordeur. _____ is voor de nieuwe buurman.
Options: Hij, Het, Zij
Question 10
Mijn broer belt vanavond. Daarna komt _____ bij ons eten.
Options: hij, het, zij
Question 11
Ik zeg tegen Sam: "Noor en ik koken; _____ maken soep. Noor en jij dekken de tafel; _____ zetten ook de glazen neer."
Options: jullie, zij, wij
Question 12
Sem vertelt over zichzelf: "_____ kan vandaag niet op kantoor werken."
Options: Hij, Jij, Ik
Question 13
Nina vraagt naar haar broer David: "Leest _____ het bericht van de school?"
Options: zij, het, hij
Question 14
Mijn zus en ik bestellen koffie. _____ drinken onze koffie op het terras.
Options: zij, wij, jullie
Question 15
Ik vraag eerst één vriend: "Kom _____ mee?" Later vraag ik twee vrienden: "Komen _____ mee?"
Options: hij, je, wij, zij, jullie
Practice In gesprek en onderweg with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using In gesprek en onderweg in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.