Question 1
Ik neem maar één dun _____ mee op reis.
Options: boekje, boektje, boekpje
Kies het passende verkleinwoord of lidwoord in de zin.
Question 1
Ik neem maar één dun _____ mee op reis.
Options: boekje, boektje, boekpje
Question 2
Aan het einde van de straat staat een wit _____.
Options: huistje, huisje, huisetje
Question 3
Op mijn bureau ligt een kort _____ van de buurvrouw.
Options: brieftje, briefetje, briefje
Question 4
Na de lunch drinkt Amir een _____ koffie.
Options: kopje, koptje, koppetje
Question 5
Voor het kind zetten we een laag _____ bij de tafel.
Options: stoelje, stoeltje, stoelpje
Question 6
Op het speelgoedspoor rijdt een rood _____.
Options: treinje, treinpje, treintje
Question 7
In het poppenhuis zit een blauw _____ naast de trap.
Options: deurtje, deurje, deurpje
Question 8
Naast de bank staat een rond _____ voor de lamp.
Options: tafelje, tafeltje, tafeletje
Question 9
In de tuin planten we een jong _____.
Options: boomje, boomtje, boompje
Question 10
In de badkamer zit een klein _____ boven de wastafel.
Options: raampje, raamtje, raametje
Question 11
Het kind plukt voorzichtig een geel _____.
Options: bloemtje, bloempje, bloemje
Question 12
Voor de poppenkamer koopt Noor een klein _____.
Options: bezemje, bezemtje, bezempje
Question 13
Voor de peuter kopen we _____ met zijwieltjes.
Options: het fietsje, de fietsje, het fietsjes
Question 14
Er staat één huisje links en rechts staan _____.
Options: het huisjes, de huisjes, de huisjen
Question 15
Als dessert krijgt het kind een koud _____.
Options: ijstje, ijspje, ijsje
Practice Verkleinwoorden met -je, -tje en -pje with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Verkleinwoorden met -je, -tje en -pje in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.