Question 1
Bouw de zin of vraag: _____
Options: Waarmee ontsleutel je dit bericht?, ontsleutelen, ontsleutelt
Tik de woorden in de juiste volgorde om een zin of vraag te bouwen. Let op hoofdletters en leestekens. Er blijven telkens twee woorden over.
Question 1
Bouw de zin of vraag: _____
Options: Waarmee ontsleutel je dit bericht?, ontsleutelen, ontsleutelt
Question 2
Bouw de zin of vraag: _____
Options: beroepen, Waarop beroept de advocaat zich?, Waarover
Question 3
Bouw de zin of vraag: _____
Options: Waar heeft de opvang behoefte aan?, hebben, mee?
Question 4
Bouw de zin of vraag: _____
Options: kunnen, Weet u waarmee ik kan inloggen?, daarmee
Question 5
Bouw de zin of vraag: _____
Options: Vertel me waarover jullie onderhandelen., onderhandelt., daarover
Question 6
Bouw de zin of vraag: _____
Options: meet., daarmee, Toon het instrument waarmee we de druk meten.
Question 7
Bouw de zin of vraag: _____
Options: Dit is het resultaat waar we op rekenen., rekent., daar
Question 8
Bouw de zin of vraag: _____
Options: delen, Met wie deel je deze werkruimte?, deelt
Question 9
Bouw de zin of vraag: _____
Options: klaagt., daarover, De lift hapert, waarover bewoners klagen.
Question 10
Bouw de zin of vraag: _____
Options: vertrokken., De voorzitter bedankte ons, waarna iedereen vertrok., daarna
Practice Vragen stellen en verbanden leggen with this interactive sentence-building exercise of 10 questions. Tap the words into the correct order to build each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every sentence.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Vragen stellen en verbanden leggen in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.