Build the sentence

Vragen stellen en verbanden leggen

Tik de woorden in de juiste volgorde om een zin of vraag te bouwen. Let op hoofdletters en leestekens. Er blijven telkens twee woorden over.

0 / 10 sentences built0%

Question 1

Bouw de zin of vraag: _____

Options: Waarmee ontsleutel je dit bericht?, ontsleutelen, ontsleutelt

Question 2

Bouw de zin of vraag: _____

Options: beroepen, Waarop beroept de advocaat zich?, Waarover

Question 3

Bouw de zin of vraag: _____

Options: Waar heeft de opvang behoefte aan?, hebben, mee?

Question 4

Bouw de zin of vraag: _____

Options: kunnen, Weet u waarmee ik kan inloggen?, daarmee

Question 5

Bouw de zin of vraag: _____

Options: Vertel me waarover jullie onderhandelen., onderhandelt., daarover

Question 6

Bouw de zin of vraag: _____

Options: meet., daarmee, Toon het instrument waarmee we de druk meten.

Question 7

Bouw de zin of vraag: _____

Options: Dit is het resultaat waar we op rekenen., rekent., daar

Question 8

Bouw de zin of vraag: _____

Options: delen, Met wie deel je deze werkruimte?, deelt

Question 9

Bouw de zin of vraag: _____

Options: klaagt., daarover, De lift hapert, waarover bewoners klagen.

Question 10

Bouw de zin of vraag: _____

Options: vertrokken., De voorzitter bedankte ons, waarna iedereen vertrok., daarna

Practice Vragen stellen en verbanden leggen with this interactive sentence-building exercise of 10 questions. Tap the words into the correct order to build each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every sentence.

Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Vragen stellen en verbanden leggen in everyday Dutch.

Looking for more practice? See all exercises for this lesson.