Question 1
Je vraagt naar het gereedschap, niet naar een persoon: _____ draai je deze schroef vast?
Options: Waar mee, Waarmee, Met wie
Kies telkens de vorm die past bij de betekenis, de woordvolgorde en de spelling. Gesplitste waar-vormen zijn ook correct.
Question 1
Je vraagt naar het gereedschap, niet naar een persoon: _____ draai je deze schroef vast?
Options: Waar mee, Waarmee, Met wie
Question 2
Maak een directe vraag: Waarover _____?
Options: de bestuurders vandaag vergaderen, de bestuurders vergaderen vandaag, vergaderen de bestuurders vandaag
Question 3
Ik wil weten _____ dit slot kan openen.
Options: waarmee ik, waar mee ik, ik waarmee
Question 4
Kunt u uitleggen waarop _____?
Options: baseert de onderzoeker zijn conclusie, de onderzoeker zijn conclusie baseert, de onderzoeker baseert zijn conclusie
Question 5
Je bedoelt: aan welke herinnering? Waar denk je nu _____?
Options: mee, op, aan
Question 6
Je vraagt welke extra hulp nodig is: Waar heeft de bibliotheek behoefte _____?
Options: aan, over, mee
Question 7
Je vraagt naar het gespreksonderwerp: Waar hebben de buren het _____?
Options: aan, over, mee
Question 8
Je wilt weten op welke bus zij wacht: _____ wacht zij?
Options: Waar op, Waaraan, Waarop
Question 9
Maak een gewone directe vraag, geen herhaalvraag: Waarmee _____?
Options: kan de monteur het lek vinden, de monteur het lek kan vinden, de monteur kan het lek vinden
Question 10
De klant vraagt waarmee _____.
Options: kan zij de rekening betalen, zij de rekening kan betalen, zij kan de rekening betalen
Question 11
Kies de correct geschreven gesplitste vraag over een onderwerp: _____
Options: Waarover praten de deelnemers over?, Waar praten de deelnemersover?, Waar praten de deelnemers over?
Question 12
Je vraagt naar het onderwerp van een debat: Kun je vertellen _____?
Options: waar de kandidaten over discussiëren, waar discussiëren de kandidaten over, waarover de kandidaten over discussiëren
Practice Van directe vraag naar bijzin with this interactive fill-in-the-blank exercise of 12 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Van directe vraag naar bijzin in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.