Question 1
We gebruiken een meetlint. Dit is het meetlint _____ we de tafel opmeten.
Options: met wie, waarmee, waar mee
Kies de passende verwijzing. Let op de gegeven betekenis en op het verschil tussen zaken, personen en hele uitspraken.
Question 1
We gebruiken een meetlint. Dit is het meetlint _____ we de tafel opmeten.
Options: met wie, waarmee, waar mee
Question 2
De gemeente streeft naar minder afval. Minder afval is het doel _____ de gemeente streeft.
Options: waarop, waaraan, waarnaar
Question 3
Kies een correcte gesplitste verwijzing: De fiets _____, staat buiten.
Options: waar ik mee naar mijn werk rijd, waarmee ik mee naar mijn werk rijd, waar ik naar mijn werk rijd
Question 4
In de standaardconstructie voor een persoon: De fotograaf _____ ik samenwerk, maakt de portretten.
Options: aan wie, met wie, over wie
Question 5
Hier bedoelen we het team als organisatie: Het team _____ onze stichting samenwerkt, organiseert de cursus.
Options: waaraan, waarover, waarmee
Question 6
Herschrijf ‘Tijdens die periode was het loket gesloten’: Dat was de periode _____ het loket gesloten was.
Options: waarin, waartijdens, tijdens waar
Question 7
Herschrijf in formele taal: ‘De controle vindt volgens deze richtlijn plaats.’ Dit is de richtlijn _____ de controle plaatsvindt.
Options: waarvolgens, volgens welke, volgens wie
Question 8
Behoud de betekenis ‘op grond van dit besluit’: Dit is het besluit _____ de subsidie wordt toegekend.
Options: op grond waarop, op grond waarmee, op grond waarvan
Question 9
De toegang werd geweigerd. Over die weigering diende de bezoeker een klacht in. Maak één zin met dezelfde betekenis: De toegang werd geweigerd, _____ de bezoeker een klacht indiende.
Options: waarover, wat, over wie
Question 10
Het dak lekte. Dat veroorzaakte veel schade. Verbind de uitspraken: Het dak lekte, _____ veel schade veroorzaakte.
Options: waardoor, wat, waarna
Question 11
Maak de oorzaak expliciet, niet alleen de volgorde in de tijd: De kabel brak, _____ de verbinding wegviel.
Options: waarna, wat, waardoor
Question 12
Gebruik eerst een nadrukkelijke daar-vorm en daarna een gesplitste er-vorm: Op de vergunning wachten we, niet op een uitnodiging. _____ wachten we dus. We wachten _____ al maanden _____.
Options: Daarop, Daaraan, Daarover, erop, er, eraan, aan, over, op
Practice Verwijzen in een samenhangende tekst with this interactive fill-in-the-blank exercise of 12 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Verwijzen in een samenhangende tekst in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.